Er worden heel wat duiten in de zakjes gedaan om de huidige stand van zaken, de voors en tegens van een competentiegericht MBO in kaart te brengen. Ook de Onderwijsinspectie heeft opnieuw een rapport uitgebracht onder de titel ‘Competentiegericht MBO: kansen en risico’s’. Het is een uitgebreid onderzoek, dat bestaat uit twee delen: een kwantitatief en een kwalitatief onderzoek. Het is ongeveer op dezelfde manier opgezet als het vorige onderzoek in 2007 zodat een vergelijking mogelijk was.
Het kwantitatieve onderzoek is uitgevoerd door enquêtes uit te zetten onder contactpersonen en deelnemers. Met nadruk wordt in het onderzoek gesteld dat het gaat om de indruk, die de contactpersonen hebben.
Uiteraard dient bij de interpretatie van de onderzoeksgegevens wel rekening gehouden te worden met het gegeven dat het in dit kwantitatieve onderzoeksdeel nadrukkelijk gaat om de perceptie van betrokken contactpersonen.
In elk geval maakt het rapport duidelijk wat voor de Inspectie de criteria zijn voor goed CGO. Het rapport geeft aan:
-
Meerdere jaren ervaring met competentiegericht opleiden (tenminste twee jaar)
-
Systematische en operationele planvorming en evaluatie
-
Evenwichtig onderwijs door een heldere visie van de opleidingen op de verhouding theorie en praktijk, kennis en vaardigheden en de positie van de algemene vakken
-
Variatie in gehanteerde werkvormen
-
Competentieontwikkeling van docenten
-
Versterking van de samenwerking tussen de opleidingen en het (regionale) bedrijfsleven
-
Een aangepaste bedrijfsvoering gericht op het realiseren van de randvoorwaarden
-
Maatwerk en flexibiliteit in de opleiding
-
Een grotere externe oriëntatie van de opleidingen: te beginnen naar de bedrijven, gevolgd door afstemming met het hbo en vervolgens het vmbo
Aardig dat geconstateerd wordt dat wat betreft punt 1 de meeste opleidingen het beter doen…
Verder vind ik het opvallend dat er juist weinig maatwerk wordt gerealiseerd.
Alles bij elkaar een omvangrijk onderzoek, dat zich niet altijd even makkelijk laat lezen en interpreteren. Neem nou een tabel, waarin duidelijk wordt gemaakt waar de inhoud van de opleidingen op is gebaseerd. Uit tabel 3.1 van het rapport van het kwantitatieve onderzoek blijkt dat 81% van de contactpersonen aangeeft dat de opleiding in grote mate gebaseerd is op het voor de opleiding bestaande kwalificatiedossier. In de kolom daarnaast is aangegeven wat men voor 2010 verwacht. 98% verwacht dat dat in 2010 hetzelfde of zelfs meer het geval zal zijn. Jammer dat je niet kunt zien, hoe dat bij het vorige onderzoek in 2007 was. Daarvoor moet je in het kwalitatieve deel zijn, waar in tabel 6.1 de verschillen tussen 2007 en 2009 zijn aangegeven, maar daar ontbreekt het uitzicht op 2010 weer. En dat geldt voor veel van de tabellen.
Ook bij sommige conclusies moet ik even nadenken, hoe ik er tegen aan moet kijken. Zo wordt bij punt 4 als positief beoordeeld dat er meer klassikaal wordt lesgegeven en dat er minder zelfwerkzaamheid is. In het kwantitatieve onderzoek komt naar voren, dat men verwacht, dat in 2010 er weer minder theorie en meer zelfwerkzaamheid zal zijn…
Al met al concludeert de Inspectie:
Er zijn stappen vooruit gemaakt, maar dat neemt niet weg dat er nog veel te doen is om de ontwikkeling verder te brengen. Dan gaat het om uitbalanceren van variatie in werkvormen, verstevigen van structuur en diepgang, op orde brengen van de bedrijfsvoering en het vormgeven van een adequate relatie met het bedrijfsleven.
De meest kritische punten betreffen volgens de inspectie het niveau en de diepgang van de opleiding naast de externe oriëntatie die zich vertaalt in de arbeidsnabijheid van de opleidingen.
In elk geval is duidelijk dat de invoering van CGO meer is dan een administratieve omslag (voldoen aan het kwalificatiedossier), er is ook sprake van een duidelijke onderwijskundige vernieuwing. Betekent dat nou, dat de Inspectie zich toch (weer) met het ‘hoe’ bemoeit?